 |
 |
Untitled Document
|
> Strijkersgroep
Ieder instrument waarbij het geluid wordt voortgebracht door snaren te
laten trillen, is een chordofoon. De vier leden van de strijkersfamilie
zijn; de viool, de altviool, de cello en de contrabas. De prachtige toon
en de mogelijkheid om een breed scala aan klankkleuren tot uitdrukking
te brengen, zijn de belangrijkste eigenschappen voor de populariteit van
de strijkinstrumenten.
De
strijkers vormen dan ook in de moderne symfonieorkesten tot de belangrijkste
kern. Het eenvoudige uiterlijk van deze instrumenten is misleidend, want
de bouw van een strijkinstrument vraagt om veel kennis en vakmanschap.
Van alle instrumenten bezit een viool de meeste mysterie. Wie kent er
niet de verhalen en enorme bedragen van de bekenste Italiaanse vioolbouwer
‘Stradivarius’.
> De cello
De eerste celli werden bijna 500 jaar geleden in Italië gebouwd.
Ze werden toen nog basviool genoemd: het was namelijk de laagste viool
die bestond. De basviool was kleiner dan de moderne cello. Later werd
een vier-snarige cello ontwikkeld die weer wat groter was. De klank was
niet mooi, maar dat vond men niet zo erg omdat het alleen een begeleidingsinstrument
was.
De eerste die een kleinere cello bouwde was Andrea Guarneri, een Italiaanse
vioolbouwer uit Cremona. Op deze kleinere cello kon je beter spelen en
hij had een mooiere toon. Het instrument werd violoncello genoemd. De
violoncello werd zo populair dat zelfs Stradivarius, een heel bekende
vioolbouwer, op het nieuwe model overstapte en stopte met het bouwen van
basviolen.
Het instrument
is zo groot, dat het niet meer onder de kin gehouden kan worden: het wordt
tussen de knieën geplaatst, waarbij een uitschuifbare staartpen op
de grond rust.
Aan
het eind van de 18e eeuw zag de cello er bijna zo uit als nu. In de 19e
eeuw gebruikte Adrien-François Servais, een beroemde Belgische
cellist, voor het eerst een pin om de cello op te laten rusten; tot die
tijd hielden cellisten de cello tussen hun knieën geklemd.
De cello wordt bespeeld met een strijkstok die korter is dan die van de
viool. De klank is een octaaf (8 tonen) lager dan de altviool.
Om de cello te stemmen moet je heel goede oren hebben. Je stemt meestal
bij een piano of met een speciaal apparaatje. Dit meet de trillingen.
Elke toon heeft zijn eigen aantal trillingen en zo kun je aflezen of de
toon zuiver is.
De
4 snaren van de cello hebben dus 4 tonen. Je kunt meer tonen maken door
de snaar korter te maken. Dit doe je door ze met je linkerhand tegen de
toets te drukken. Op die manier kun je op een cello wel meer dan 4 octaven
spelen (1 octaaf is bijv. do-re-mi-fa-sol-la-ti-do).
Als je op een strijkinstrument gaat spelen moet het wel bij je lengte
en de grootte van je handen passen: op een te groot instrument kunnen
je vingers niet makkelijk alle tonen maken. Instrumenten zijn er dan ook
in verschillende maten, van 1/8 tot een hele. Ook de stok is er in verschillende
maten.
Om
goed in de maat te blijven kan je tijdens het oefenen een metronoom gebruiken.
Dit is een apparaat dat de maat tikt.
Als
je in een orkest speelt, slaat de dirigent de maat, maar als je een solostuk
uitvoert moet je zelf heel goed tellen!
Je
kunt een strijkinstrument op verschillende manieren bespelen, bijvoorbeeld:
· con arco - met de stok strijken;
· pizzicato - tokkelen met je vingers;
· con sordino - met een demper op de kam;
· vibrato - de linkerhand gaat heen en weer zonder te verschuiven;
· col legno - met de stang van de stok strijken.
Er bestaan ook elektrische celli. Die hebben geen klankkast nodig omdat
ze, net als een elektrische gitaar, via een versterker spelen. Ze zien
er dus heel anders uit dan een akoestische cello.
In
het symfonie-orkest speelt de cello een belangrijke rol. De ene keer wordt
de baspartij gespeeld (samen met de contrabassen), een andere keer de
melodie.
De cello heeft vooral een begeleidende rol in het orkest. De cello heeft
een wat weemoedige klank.
|

|
 |